Micah 7:20

“Gij zult Jakob3290 de trouw,571 Abraham85 de goedertierenheid2617 geven,5414 8799 die834 Gij onzen vaderen1 van4480 oude6924 dagen3117 af gezworen hebt.7650 8738”

Micah 7:20 — Statenvertaling (1637)

Verse 20 of 20 in Micah chapter 7 — Statenvertaling (1637). Read it in context below, with maps, timelines and thematic connections beside the text.

Micah 7 — full chapter (Statenvertaling (1637))

480 mij! want3588 ik ben,1961 8804 als wanneer de zomervruchten7019 zijn ingezameld;625 als wanneer de nalezingen5955 in den wijnoogst1210 geschied zijn; er is geen369 druif811 om te eten;398 8800 mijn ziel5315 begeert183 8765 vroegrijpe vrucht.1063 De goedertierene2623 is vergaan6 8804 uit4480 het land,776 en er is niemand369 oprecht3477 onder de mensen;120 zij loeren693 8799 altemaal3605 op bloed,1818 zij jagen,6679 8799 een iegelijk376 zijn broeder,251 [met] een jachtgaren.2764 Om5921 [met] beide handen3709 wel dapper3190 kwaad7451 te doen,3190 8687 zo eist7592 8802 de vorst,8269 en de rechter8199 8802 [oordeelt] om vergelding;7966 en de grote1419 spreekt1696 8802 de verderving1942 zijner ziel,5315 1931 en zij draaien ze dicht ineen.5686 8762 De beste2896 van hen is als een doorn;2312 de oprechtste3477 is [scherper] 4480 een doornheg;4534 de dag3117 uwer wachters,6822 8764 uw bezoeking,6486 is gekomen;935 8804 nu6258 zal hunlieder verwarring3998 wezen.1961 8799 Gelooft539 8686 een vriend7453 niet,408 vertrouwt982 8799 niet408 op een voornaamsten vriend;441 bewaar8104 8798 de deuren6607 uws monds6310 voor haar, die in uw schoot2436 ligt.7901 8802 Want3588 de zoon1121 veracht5034 8764 den vader,1 de dochter1323 staat op6965 8801 tegen haar moeder,517 de schoondochter3618 tegen haar schoonmoeder;2545 eens mans376 vijanden341 8802 zijn zijn huisgenoten.582 1004 Maar ik589 zal uitzien6822 8762 naar den HEERE,3068 ik zal wachten3176 8686 op den God430 mijns heils;3468 mijn God430 zal mij horen.8085 8799 Verblijd u8055 8799 niet408 over mij, o mijn vijandin!341 8802 wanneer3588 ik gevallen ben,5307 8804 zal ik weder opstaan;6965 8804 wanneer3588 ik in duisternis2822 zal gezeten zijn,3427 8799 zal de HEERE3068 mij een licht216 zijn. Ik zal des HEEREN3068 gramschap2197 dragen,5375 8799 want3588 ik heb tegen gezondigd;2398 8804 totdat5704 834 mijn twist7379 twiste,7378 8799 en mijn recht4941 uitvoere;6213 8804 zal mij uitbrengen3318 8686 aan het licht;216 ik zal [mijn] [lust] zien7200 8799 aan gerechtigheid.6666 En mijn vijandin341 8802 zal [het] zien,7200 8799 en schaamte955 zal haar bedekken;3680 8762 die tot413 mij zegt:559 8802 Waar346 is de HEERE,3068 uw God?430 ogen5869 zullen aan haar zien;7200 8799 nu6258 zal zij worden1961 8799 tot vertreding,4823 als slijk2916 der straten.2351 Ten dage3117 als uw muren1447 zal herbouwen,1129 8800 te dien1931 dage3117 zal het besluit2706 verre heengaan.7368 8799 Te dien1931 dage3117 zal het ook komen935 8799 tot5704 u toe, van Assur804 af, zelfs [tot] de vaste4693 steden5892 [toe]; en van de vestingen4693 tot5704 aan de rivier,5104 en van zee3220 [tot] zee,3220 en [van] gebergte2022 [tot] gebergte.2022 Maar dit land776 zal worden1961 8804 tot een verwoesting,8077 zijner inwoners3427 8802 halve,5921 vanwege4480 de vrucht6529 hunner handelingen.4611 Gij [], weid7462 8798 Uw volk5971 met Uw staf,7626 de kudde6629 erfenis,5159 die alleen910 woont,7931 8802 [in] het woud,3293 in het midden8432 van een vruchtbaar land;3760 laat ze weiden7462 8799 [in] Basan1316 en ,1568 als in de dagen3117 van ouds.5769 Ik zal haar wonderen6381 8737 doen zien,7200 8686 als in de dagen,3117 toen gij uit Egypteland776 4714 uittoogt.3318 8800 De heidenen1471 zullen het zien,7200 8799 en beschaamd zijn,954 8799 vanwege4480 al3605 hun macht;1369 zij zullen de hand3027 op5921 den mond6310 leggen;7760 8799 hun oren241 zullen doof worden.2790 8799 Zij zullen het stof6083 lekken,3897 8762 als de slang;5175 als kruipende dieren2119 8801 der aarde,776 zullen zij zich beroeren7264 8799 uit4480 hun sloten;4526 zij zullen met vervaardheid komen6342 8799 tot413 den HEERE,3068 onzen God,430 en zullen voor4480 U vrezen.3372 8799 Wie4310 is een God410 gelijk3644 , Die de ongerechtigheid5771 vergeeft,5375 8802 en de5921 overtreding6588 van het overblijfsel7611 erfenis5159 voorbij gaat?5674 8802 houdt2388 8689 toorn639 niet3808 in eeuwigheid;5703 want3588 Hij1931 heeft lust2654 8804 aan goedertierenheid.2617 Hij zal onzer weder7725 8799 ontfermen;7355 8762 zal onze ongerechtigheden5771 dempen;3533 8799 ja, Gij zult al3605 hun zonden2403 in de diepten4688 der zee3220 werpen.7993 8686 Gij zult Jakob3290 de trouw,571 85 de goedertierenheid2617 geven,5414 8799 die834 onzen vaderen1 van4480 oude6924 dagen3117 af gezworen hebt.7650 8738

Every verse in Micah 7

Chapter navigation

0:000:00