Nehemiah 2:13
“En ik trok uit3318 8799 bij nacht3915 door de Dalpoort,8179 1516 en voorbij413 6440 de Drakenfontein,8577 5869 8677 5886 en naar413 de Mistpoort,830 8179 en ik brak1961 8799 7663 8802 8675 7665 8799 aan de muren2346 van Jeruzalem,3389 dewelke834 verscheurd waren,6555 8803 en haar poorten8179 met vuur784 verteerd.398 8795”
Nehemiah 2:13 — Statenvertaling (1637)
Verse 13 of 20 in Nehemiah chapter 2 — Statenvertaling (1637). Read it in context below, with maps, timelines and thematic connections beside the text.
Nehemiah 2 — full chapter (Statenvertaling (1637))
Toen geschiedde1961 8799 het in de maand2320 ,5212 in het twintigste6242 jaar8141 van den koning4428 ,783 [als] [er] wijn3196 voor zijn aangezicht6440 was, dat ik den wijn3196 opnam,5375 8799 en gaf5414 8799 [hem] den koning;4428 nu was ik nooit3808 treurig7451 geweest1961 8804 voor zijn aangezicht.6440 Zo zeide559 8799 de koning4428 tot mij: Waarom4069 is uw aangezicht6440 treurig,7451 zo gij859 toch niet369 krank2470 8802 zijt?369 Dit2088 is niet369 3588 518 treurigheid7455 des harten.3820 vreesde ik3372 8799 gans7235 8687 zeer.3966 En ik zeide559 8799 tot de koning:4428 De koning4428 leve2421 8799 in eeuwigheid!5769 Hoe4069 zou mijn aangezicht6440 niet3808 treurig zijn,3415 8799 daar834 de stad,5892 de plaats1004 der begrafenissen6913 mijner vaderen,1 woest2720 is, en haar poorten8179 met vuur784 verteerd zijn?398 8795 En de koning4428 zeide559 8799 tot mij: Wat5921 4100 verzoekt1245 8764 gij859 nu?2088 bad ik6419 8691 tot413 God430 van den hemel.8064 En ik zeide559 8799 tot den koning:4428 Zo518 het den koning4428 goeddunkt,2895 8804 5921 en zo518 uw knecht5650 voor uw aangezicht6440 aangenaam is,3190 8799 dat834 gij mij zendt7971 8799 naar413 ,3063 naar413 de stad5892 der begrafenissen6913 mijner vaderen,1 dat ik ze bouwe.1129 8799 Toen zeide559 8799 de koning4428 tot mij, daar de koningin7694 nevens681 hem zat:3427 8802 Hoe5704 lang4970 zal uw reis4109 wezen,1961 8799 en wanneer4970 zult gij wederkomen?7725 8799 En het behaagde3190 8799 6440 den koning,4428 dat hij mij zond,7971 8799 als ik hem zekeren tijd2165 gesteld had.5414 8799 Voorts zeide ik559 8799 tot den koning:4428 Zo518 het den koning4428 goeddunkt,2895 8804 5921 dat men mij brieven107 geve5414 8799 aan5921 de landvoogden6346 aan gene zijde5676 der rivier,5104 dat834 zij mij overgeleiden,5674 8686 totdat5704 834 ik in413 Juda3063 zal gekomen zijn;935 8799 Ook een brief107 aan413 ,623 den bewaarder8104 8802 van den lusthof,6508 denwelken834 de koning4428 heeft, dat hij mij hout6086 geve5414 8799 om te zolderen7136 8763 de poorten8179 van het paleis,1002 dat834 aan het huis1004 is, en tot den stadsmuur,2346 5892 en tot het huis,1004 waar834 413 ik intrekken zal.935 8799 En de koning4428 gaf5414 8799 ze mij, naar de goede2896 hand3027 mijns Gods430 over5921 mij. Toen kwam ik935 8799 tot413 de landvoogden6346 aan gene zijde5676 der rivier,5104 en gaf5414 8799 hun de brieven107 des konings.4428 En de koning4428 had oversten8269 des heirs2428 en ruiteren6571 met5973 mij gezonden.7971 8799 Toen nu ,5571 de ,2772 en ,2900 de Ammonietische5984 knecht5650 [dat] hoorden,8085 8799 mishaagde het3415 8799 hun met groot1419 mishagen,7451 dat834 er een mens120 gekomen was,935 8804 om wat goeds2896 te zoeken1245 8763 voor de kinderen1121 .3478 En ik kwam935 8799 te413 ,3389 en was1961 8799 daar8033 drie7969 dagen.3117 Daarna maakte ik mij6965 des nachts3915 op,6965 8799 ik589 en weinig4592 4592 mannen582 met5973 mij, en ik gaf5046 geen mens120 te kennen,5046 8689 wat4100 mijn God430 in413 mijn hart3820 gegeven had,5414 8802 om aan Jeruzalem3389 te doen;6213 8800 en er was geen369 dier929 met5973 mij, 3588 518 het dier,929 waarop834 ik589 reed.7392 8802 En ik trok uit3318 8799 bij nacht3915 door de ,8179 1516 en voorbij413 6440 de ,8577 5869 8677 5886 en naar413 de ,830 8179 en ik brak1961 8799 7663 8802 8675 7665 8799 aan de muren2346 van ,3389 dewelke834 verscheurd waren,6555 8803 en haar poorten8179 met vuur784 verteerd.398 8795 En ik ging voort5674 8799 naar413 de ,8179 5869 en naar413 des konings4428 vijver;1295 doch daar was geen369 plaats4725 voor het dier,929 om onder8478 mij voort te gaan.5674 8800 Toen ging ik op,1961 8799 5927 8802 des nachts,3915 door de beek,5158 en ik brak1961 8799 7663 8802 8675 7665 8799 aan den muur;2346 en ik keerde weder,7725 8799 en kwam in935 8799 door de ;8179 1516 alzo keerde ik wederom.7725 8799 En de overheden5461 wisten3045 8804 niet,3808 waar575 ik heengegaan was,1980 8804 en wat4100 ik589 deed;6213 8802 want ik had tot5704 nog3651 toe den ,3064 en den priesteren,3548 en den edelen,2715 en overheden,5461 en den anderen,3499 die het werk4399 deden,6213 8802 niets3808 te kennen gegeven.5046 8689 Toen zeide ik559 8799 tot413 hen: Gijlieden859 ziet7200 8802 de ellende,7451 waarin834 wij587 zijn, dat834 Jeruzalem3389 woest2720 is, en haar poorten8179 met vuur784 verbrand zijn;3341 8738 komt,3212 8798 en laat ons Jeruzalems3389 muur2346 opbouwen;1129 8799 opdat wij niet3808 meer5750 een versmaadheid2781 zijn.1961 8799 En ik gaf hun te kennen5046 8686 de hand3027 mijns ,430 Die834 1931 goed2896 over5921 mij geweest was, als ook637 de woorden1697 des konings,4428 die834 hij tot mij gesproken had.559 8804 zeiden zij:559 8799 ons op zijn,6965 8799 dat wij bouwen;1129 8804 en zij sterkten2388 8762 hun handen3027 ten goede.2896 Als nu ,5571 de ,2772 en ,2900 de Ammonietische5984 knecht,5650 en ,1654 de ,6163 dit hoorden,8085 8799 zo bespotten zij3932 8686 ons, en verachtten959 8799 5921 ons; en zij zeiden:559 8799 Wat4100 is dit2088 voor een ding,1697 dat834 gijlieden859 doet?6213 8802 gijlieden859 tegen5921 den koning4428 rebelleren?4775 8802 Toen gaf ik7725 8686 hun853 tot antwoord,1697 en zeide559 8799 tot hen: God430 van den hemel,8064 Die1931 zal het ons doen gelukken,6743 8686 en wij,587 knechten,5650 zullen ons opmaken6965 8799 en bouwen;1129 8804 maar gijlieden hebt geen369 deel,2506 noch gerechtigheid,6666 noch gedachtenis2146 in .3389