Psalms 109:15

“Dat zij gedurig8548 voor den HEERE3068 zijn; en Hij roeie3772 hun gedachtenis2143 uit3772 8686 van de aarde.776”

Psalms 109:15 — Statenvertaling (1637)

Verse 15 of 31 in Psalms chapter 109 — Statenvertaling (1637). Read it in context below, with maps, timelines and thematic connections beside the text.

Psalms 109 — full chapter (Statenvertaling (1637))

Een psalm4210 van ,1732 voor den opperzangmeester.5329 8764 O God430 mijns lofs!8416 zwijg2790 8799 niet. Want de mond6310 des goddelozen7563 en de mond6310 des bedrogs4820 zijn tegen mij opengedaan;6605 8804 zij hebben met mij gesproken1696 8765 met een valse8267 tong.3956 En met hatelijke8135 woorden1697 hebben zij mij omsingeld;5437 8804 ja, zij hebben mij bestreden3898 8735 zonder oorzaak.2600 Voor mijn liefde,160 staan zij mij tegen;7853 8799 maar ik was [steeds] [in] [het] gebed.8605 En zij hebben mij kwaad7451 voor goed2896 opgelegd,7760 8799 en haat8135 voor mijn liefde.160 Stel6485 8685 een goddeloze7563 over hem, en de 7854 sta5975 8799 aan zijn rechterhand.3225 Als hij gericht wordt,8199 8736 zo ga hij3318 8799 schuldig7563 uit, en zijn gebed8605 zij tot zonde.2401 Dat zijn dagen3117 weinig4592 zijn; een ander312 neme3947 8799 zijn ambt;6486 Dat zijn kinderen1121 wezen3490 worden, en zijn vrouw802 weduwe.490 En dat zijn kinderen1121 hier en daar5128 8800 omzwerven,5128 8799 en bedelen,7592 8765 en [de] [nooddruft] uit hun verwoeste plaatsen2723 zoeken.1875 8804 Dat de schuldeiser5383 8802 aansla5367 8762 al wat hij heeft, en dat de vreemden2114 8801 zijn arbeid3018 roven.962 8799 Dat hij niemand hebbe, die weldadigheid2617 [over] [hem] uitstrekke,4900 8802 en dat er niemand zij, die zijn wezen3490 genadig zij.2603 8802 Dat zijn nakomelingen319 uitgeroeid worden;3772 8687 hun naam8034 worde uitgedelgd4229 8735 in het andere312 geslacht.1755 De ongerechtigheid5771 zijner vaderen1 worde gedacht2142 8735 bij den HEERE,3068 en de zonde2403 zijner moeder517 worde niet uitgedelgd.4229 8735 Dat zij gedurig8548 voor den HEERE3068 zijn; en roeie3772 hun gedachtenis2143 uit3772 8686 van de aarde.776 Omdat hij niet gedacht heeft2142 8804 weldadigheid2617 te doen,6213 8800 maar heeft den ellendigen6041 en den nooddruftigen34 man376 vervolgd,7291 8799 en den verslagene3512 8737 van hart,3824 om [hem] te doden.4191 8788 Dewijl hij den vloek7045 heeft liefgehad,157 8799 dat die hem overkome,935 8799 en geen lust gehad heeft2654 8804 tot den zegen,1293 zo zij die verre7368 8799 van hem. En hij zij bekleed3847 8799 met den vloek,7045 als met zijn kleed,4055 en dat die ga935 8799 tot in het binnenste7130 van hem als het water,4325 en als de olie8081 in zijn beenderen.6106 Die zij hem als een kleed,899 [waarmede] hij zich bedekt,5844 8799 en tot een gordel,4206 waarmede hij zich steeds8548 omgordt.2296 8799 Dit zij het werkloon6468 mijner tegenstanders7853 8802 van den HEERE,3068 en dergenen, die kwaad7451 spreken1696 8802 tegen mijn ziel.5315 Maar , o HEERE3069 !136 maak6213 8798 het met mij om Naams8034 wil; dewijl Uw goedertierenheid2617 goed2896 is, verlos5337 8685 mij. Want ik ben ellendig6041 en nooddruftig,34 en mijn hart3820 is in het binnenste7130 van mij doorwond.2490 8804 Ik ga heen1980 8738 gelijk een schaduw,6738 wanneer zij zich neigt;5186 8800 ik worde omgedreven5287 8738 als een sprinkhaan.697 Mijn knieen1290 struikelen3782 8804 van vasten,6685 en mijn vlees1320 is vermagerd,3584 8804 zodat er geen vet8081 aan is. Nog ben ik hun een smaad;2781 als zij mij zien,7200 8799 zo schudden zij5128 8686 hun hoofd.7218 Help5826 8798 mij, HEERE,3068 mijn God!430 verlos3467 8685 mij naar Uw goedertierenheid.2617 Opdat zij weten,3045 8799 dat dit Uw hand3027 is, [dat] het, HEERE!3068 gedaan hebt.6213 8804 Laat hen vloeken,7043 8762 maar zegen ;1288 8762 laat hen zich opmaken,6965 8804 maar dat zij beschaamd worden;954 8799 doch dat zich Uw knecht5650 verblijde.8055 8799 Laat mijn tegenstanders7853 8802 met schande3639 bekleed worden,3847 8799 en dat zij met hun beschaamdheid1322 zich bedekken,5844 8799 als met een mantel.4598 Ik zal den HEERE3068 met mijn mond6310 zeer3966 loven,3034 8686 en in het midden8432 van velen7227 zal ik prijzen.1984 8762 Want zal den nooddruftige34 ter rechterhand3225 staan,5975 8799 om [hem] te verlossen3467 8687 van degenen, die zijn ziel5315 veroordelen.8199 8802

Every verse in Psalms 109

Chapter navigation

0:000:00