Psalms 73:27
“Want ziet, die verre7369 van U zijn, zullen vergaan;6 8799 Gij roeit uit,6789 8689 al wie van U afhoereert;2181 8802”
Psalms 73:27 — Statenvertaling (1637)
Verse 27 of 28 in Psalms chapter 73 — Statenvertaling (1637). Read it in context below, with maps, timelines and thematic connections beside the text.
Psalms 73 — full chapter (Statenvertaling (1637))
Een psalm4210 van .623 is God430 3478 goed,2896 dengenen, die rein1249 van harte3824 zijn. Maar mij aangaande, mijn voeten7272 waren bijna4592 uitgeweken;5186 8804 8675 5186 8803 mijn treden838 waren bijkans369 uitgeschoten.8210 8795 Want ik was nijdig7065 8765 op de dwazen,1984 8802 ziende7200 8799 der goddelozen7563 vrede.7965 Want er zijn geen banden2784 tot hun dood4194 toe, en hun kracht193 is fris.1277 Zij zijn niet in de moeite5999 [als] [andere] mensen,582 en worden met5973 [andere] mensen120 niet geplaagd.5060 8792 Daarom omringt6059 hen de hovaardij1346 als een keten;6059 8804 het geweld2555 bedekt5848 8799 hen [als] een gewaad.7897 Hun ogen5869 puilen uit3318 8804 van vet;2459 zij gaan de inbeeldingen4906 des harten3824 te boven.5674 8804 Zij mergelen [de] [lieden] uit,4167 8686 en spreken1696 8762 boselijk7451 van verdrukking;6233 zij spreken1696 8762 uit de hoogte.4791 Zij zetten8371 8804 hun mond6310 tegen den hemel,8064 en hun tong3956 wandelt1980 8799 op de aarde.776 Daarom keert zich7725 8799 8675 7725 8686 volk5971 hiertoe,1988 als hun wateren4325 eens vollen4392 [bekers] worden uitgedrukt,4680 8735 Dat zij zeggen:559 8804 zou het God410 weten,3045 8804 en zou er wetenschap1844 zijn3426 bij den ?5945 Ziet, dezen zijn goddeloos;7563 nochtans hebben zij rust7961 in de wereld;5769 zij vermenigvuldigen7685 8689 het vermogen.2428 Immers heb ik te vergeefs7385 mijn hart3824 gezuiverd,2135 8765 en mijn handen3709 in onschuld5356 gewassen.7364 8799 Dewijl ik den gansen dag3117 geplaagd ben,5060 8803 en mijn straffing8433 is er alle morgens.1242 Indien ik zou zeggen:559 8804 Ik zal ook alzo3644 spreken;5608 8762 ziet, zo zou ik trouweloos zijn898 8804 aan het geslacht1755 kinderen.1121 Nochtans heb ik gedacht2803 8762 om dit te mogen verstaan;3045 8800 [maar] het was moeite5999 in mijn ogen;5869 Totdat ik in Gods410 heiligdommen4720 inging,935 8799 [en] op hun einde319 merkte.995 8799 Immers zet Gij7896 8799 hen op gladde plaatsen;2513 doet hen vallen5307 8689 in verwoestingen.4876 Hoe worden zij als in een ogenblik7281 tot verwoesting,8047 nemen een einde,5486 8804 worden te niet8552 8804 van verschrikkingen!1091 Als een droom2472 na het ontwaken!6974 8687 opwaakt,5782 o ,136 [] zult hun beeld6754 verachten.959 8799 Als mijn hart3824 opgezwollen was,2556 8691 en ik in mijn nieren3629 geprikkeld werd,8150 8709 Toen was ik onvernuftig,1198 en wist niets;3045 8799 ik was een groot beest929 bij U. Ik zal geduriglijk8548 bij U zijn; Gij hebt mijn rechterhand3225 3027 gevat;270 8804 Gij zult mij leiden5148 8686 door Uw raad;6098 en daarna310 zult mij [in] heerlijkheid3519 opnemen.3947 8799 Wien heb ik [nevens] [U] in den hemel?8064 U lust mij2654 8804 ook niets op de aarde!776 Bezwijkt3615 8804 mijn vlees7607 en mijn hart,3824 zo is God430 de Rotssteen6697 mijns harten,3824 en mijn Deel2506 in eeuwigheid.5769 Want ziet, die verre7369 van U zijn, zullen vergaan;6 8799 roeit uit,6789 8689 al wie van U afhoereert;2181 8802 Maar mij589 aangaande, het is mij goed2896 nabij7132 God430 te wezen; ik zet7896 8804 mijn betrouwen4268 op den Heere136 HEERE,3069 om al Uw werken4399 te vertellen.5608 8763