Ruth 3:4
“En het zal geschieden,1961 8799 als hij nederligt,7901 8800 dat gij de plaats4725 zult merken,3045 8804 waar834 8803 hij zal nedergelegen zijn;7901 8799 ga dan in,935 8804 en sla1540 zijn voetdeksel4772 op,1540 8765 en leg u;7901 8804 zo zal hij1931 u te kennen geven,5046 8686 wat834 gij doen zult.6213 8799”
Ruth 3:4 — Statenvertaling (1637)
Verse 4 of 18 in Ruth chapter 3 — Statenvertaling (1637). Read it in context below, with maps, timelines and thematic connections beside the text.
Ruth 3 — full chapter (Statenvertaling (1637))
En ,5281 haar schoonmoeder,2545 zeide559 8799 tot haar: Mijn dochter!1323 zoude ik u geen3808 rust4494 zoeken,1245 8762 dat834 het u welga?3190 8799 Nu ,6258 is niet3808 ,1162 met wiens834 maagden5291 gij geweest zijt,1961 8804 [van] onze bloedvriendschap?4130 ,2009 hij1931 zal dezen nacht3915 gerst8184 op den dorsvloer1637 wannen.2219 8802 Zo baad u,7364 8804 en zalf u,5480 8804 en doe7760 8804 uw klederen8071 aan,5921 en ga af3381 8804 naar den dorsvloer;1637 [maar] maak3045 u den man376 niet408 bekend,3045 8735 totdat5704 hij geeindigd zal hebben3615 8763 te eten398 8800 en te drinken.8354 8800 En het zal geschieden,1961 8799 als hij nederligt,7901 8800 dat gij de plaats4725 zult merken,3045 8804 waar834 8803 hij zal nedergelegen zijn;7901 8799 ga in,935 8804 en sla1540 zijn voetdeksel4772 op,1540 8765 en leg u;7901 8804 zo zal hij1931 u te kennen geven,5046 8686 wat834 gij doen zult.6213 8799 En zij zeide559 8799 tot413 haar: Al3605 wat834 gij [tot] [mij] zegt,559 8799 zal ik doen.6213 8799 Alzo ging zij af3381 8799 naar den dorsvloer,1637 en deed6213 8799 naar alles,3605 wat834 haar schoonmoeder2545 haar geboden had.6680 8765 Als nu 1162 gegeten398 8799 en gedronken had,8354 8799 en zijn hart3820 vrolijk was,3190 8799 zo kwam hij935 8799 om neder te liggen7901 8800 aan het uiterste7097 van een [koren] hoop.6194 kwam zij935 8799 stilletjes3909 in, en sloeg1540 zijn voetdeksel4772 op,1540 8762 en leide zich.7901 8799 En het geschiedde1961 8799 te middernacht,2677 3915 dat die man376 verschrikte,2729 8799 en om zich greep;3943 8735 en ziet,2009 een vrouw802 lag7901 8802 aan zijn voetdeksel.4772 En hij zeide:559 8799 Wie4310 zijt gij?859 En zij zeide:559 8799 Ik595 ben ,7327 uw dienstmaagd,519 breid6566 uw vleugel3671 uit6566 8804 over5921 uw dienstmaagd,519 want3588 gij859 zijt de losser.1350 8802 En hij zeide:559 8799 Gezegend1288 8803 zijt gij859 den HEERE,3068 mijn dochter!1323 hebt deze uw laatste314 weldadigheid2617 beter gemaakt3190 8689 4480 de eerste,7223 dewijl gij geen1115 jonge gezellen970 zijt nagegaan,3212 8800 310 hetzij518 arm1800 of rijk.6223 En nu,6258 mijn dochter,1323 vrees3372 8799 niet;408 al3605 wat834 gij gezegd hebt,559 8799 zal ik u doen;6213 8799 want3588 de ganse3605 stad8179 mijns volks5971 weet,3045 8802 dat3588 gij859 een deugdelijke2428 vrouw802 zijt. Nu ,6258 wel3588 is waar,551 dat3588 518 ik595 een losser1350 8802 ben; maar er is3426 nog1571 een losser,1350 8802 nader7138 4480 ik. Blijf3885 dezen nacht3915 over;3885 8798 voorts in den morgen1242 zal het geschieden,1961 8804 indien518 hij u lost,1350 8799 goed,2896 laat hem lossen;1350 8799 maar indien518 het hem niet3808 lust2654 8799 u te lossen,1350 8800 zo zal ik595 u lossen,1350 8804 [zo] [waarachtig] [als] de HEERE3068 leeft;2416 leg u neder7901 8798 tot5704 den morgen1242 toe. Alzo lag zij neder7901 8799 aan zijn voetdeksel4772 tot5704 den morgen1242 toe; en zij stond op,6965 8799 eer dat2958 de een376 den ander7453 kennen kon;5234 8686 want hij zeide:559 8799 worde3045 niet408 bekend,3045 8735 dat3588 een vrouw802 op den dorsvloer1637 gekomen is.935 8804 Voorts zeide hij:559 8799 Lang3051 8798 den sluier,4304 die834 op5921 u is, en houd270 8798 dien; en zij hield270 8799 hem; en hij mat4058 8799 zes8337 [maten] gerst,8184 en leide7896 8799 ze op5921 haar; daarna ging hij935 8799 in de stad.5892 Zij nu kwam935 8799 tot413 haar schoonmoeder,2545 dewelke zeide:559 8799 Wie4310 zijt gij,859 mijn dochter?1323 En zij verhaalde5046 8686 haar alles,3605 wat834 die man376 haar gedaan had.6213 8804 Ook zeide zij:559 8799 Deze428 zes8337 [maten] gerst8184 heeft hij mij gegeven;5414 8804 want3588 hij zeide559 8804 [tot] [mij]: Kom935 8799 niet408 ledig7387 tot413 uw schoonmoeder.2545 Toen zeide zij:559 8799 Zit3427 8798 [stil], mijn dochter,1323 totdat5704 834 gij weet,3045 8799 hoe349 de zaak1697 zal vallen;5307 8799 want3588 die man376 zal niet3808 rusten,8252 8799 tenzij3588 518 dat hij heden3117 deze zaak1697 voleind hebbe.3615 8765