Ecclesiastes 3:20
“Zij gaan1980 8802 allen naar een259 plaats;4725 zij zijn allen uit het stof,6083 en zij keren allen weder7725 8804 tot het stof.6083”
Ecclesiastes 3:20 — Statenvertaling (1637)
Verse 20 of 22 in Ecclesiastes chapter 3 — Statenvertaling (1637). Read it in context below, with maps, timelines and thematic connections beside the text.
Ecclesiastes 3 — full chapter (Statenvertaling (1637))
Alles heeft een bestemden tijd,2165 en alle voornemen2656 onder den hemel8064 heeft zijn tijd.6256 Er is een tijd6256 om geboren te worden,3205 8800 en een tijd6256 om te sterven;4191 8800 een tijd6256 om te planten,5193 8800 en een tijd6256 om het geplante5193 8803 uit te roeien;6131 8800 Een tijd6256 om te doden,2026 8800 en een tijd6256 om te genezen;7495 8800 een tijd6256 om af te breken,6555 8800 en een tijd6256 om te bouwen;1129 8800 Een tijd6256 om te wenen,1058 8800 en een tijd6256 om te lachen;7832 8800 een tijd6256 om te kermen,5594 8800 en een tijd6256 om op te springen;7540 8800 Een tijd6256 om stenen68 weg te werpen,7993 8687 en een tijd6256 om stenen68 te vergaderen;3664 8800 een tijd6256 om te omhelzen,2263 8800 en een tijd6256 om verre te zijn7368 8800 van omhelzen;2263 8763 Een tijd6256 om te zoeken,1245 8763 en een tijd6256 om verloren te laten gaan;6 8763 een tijd6256 om te bewaren,8104 8800 en een tijd6256 om weg te werpen;7993 8687 Een tijd6256 om te scheuren,7167 8800 en een tijd6256 om toe te naaien;8609 8800 een tijd6256 om te zwijgen,2814 8800 en een tijd6256 om te spreken;1696 8763 Een tijd6256 om lief te hebben,157 8800 en een tijd6256 om te haten;8130 8800 een tijd6256 van oorlog,4421 en een tijd6256 van vrede.7965 Wat voordeel3504 heeft hij, die werkt,6213 8802 van hetgeen834 hij bearbeidt?6001 Ik heb gezien7200 8804 de bezigheid,6045 die God430 den kinderen1121 der mensen120 gegeven heeft,5414 8804 om zichzelven daarmede te bekommeren.6031 8800 Hij heeft ieder ding schoon3303 gemaakt6213 8804 op zijn tijd;6256 ook heeft de eeuw5769 in hun hart3820 gelegd,5414 8804 zonder dat1097 een mens120 het werk,4639 dat God430 gemaakt heeft,6213 8804 kan uitvinden,4672 8799 van het begin7218 tot het einde5490 toe. Ik heb gemerkt,3045 8804 dat er niets beters2896 voor henlieden is, zich te verblijden,8055 8800 en goed2896 te doen6213 8800 in zijn leven.2416 Ja ook, dat ieder mens120 ete398 8799 en drinke,8354 8804 en het goede2896 geniete7200 8804 van al zijn arbeid,5999 [] is een gave4991 .430 Ik weet,3045 8804 dat al wat God430 doet,6213 8799 dat zal in der eeuwigheid5769 zijn, en er is niet369 toe te doen,3254 8687 noch is er af te doen;1639 8800 en God430 doet6213 8804 [dat], opdat men vreze3372 8799 voor aangezicht.6440 Hetgeen geweest is, dat is nu,3528 en wat wezen zal, dat is alrede3528 geweest; en God430 zoekt1245 8762 het weggedrevene;7291 8737 Verder heb ik ook gezien7200 8804 onder de zon,8121 ter plaatse4725 des gerichts,4941 aldaar was goddeloosheid;7562 en ter plaatse4725 der gerechtigheid,6664 aldaar was goddeloosheid.7562 Ik zeide559 8804 in mijn hart:3820 God430 zal den rechtvaardige6662 en den goddeloze7563 oordelen;8199 8799 want aldaar is de tijd6256 voor alle voornemen,2656 en over alle werk.4639 Ik zeide559 8804 in mijn hart3820 van de gelegenheid1700 der mensenkinderen,1121 120 dat God430 hen zal verklaren,1305 8800 en dat zij zullen zien,7200 8800 dat zij1992 [als] de beesten929 zijn aan zichzelven. Want wat den kinderen1121 der mensen120 wedervaart,4745 dat wedervaart4745 ook den beesten;929 en enerlei259 wedervaart4745 hun [beiden]; gelijk die sterft,4194 alzo sterft4194 deze,2088 en zij allen hebben enerlei259 adem,7307 en de uitnemendheid4195 der mensen120 boven de beesten929 is geen; want allen zijn zij ijdelheid.1892 Zij gaan1980 8802 allen naar een259 plaats;4725 zij zijn allen uit het stof,6083 en zij keren allen weder7725 8804 tot het stof.6083 Wie merkt,3045 8802 dat de adem7307 van de kinderen1121 der mensen120 opvaart5927 8802 naar boven,4605 en de adem7307 der beesten929 nederwaarts4295 vaart3381 8802 in de aarde?776 Dies heb ik gezien,7200 8804 dat er niets beters2896 is, dat de mens120 zich verblijde8055 8799 in zijn werken,4639 want dat is zijn deel;2506 want wie zal hem daarhenen brengen,935 8686 dat hij ziet,7200 8800 hetgeen na310 hem geschieden zal?