Hosea 2:17
“[02:16] En Ik zal de namen der Baals van haar mond wegdoen; zij zullen niet meer bij hun namen gedacht worden.”
Hosea 2:17 — Statenvertaling (1637)
Verse 17 of 23 in Hosea chapter 2 — Statenvertaling (1637). Read it in context below, with maps, timelines and thematic connections beside the text.
Hosea 2 — full chapter (Statenvertaling (1637))
[01:12] tot uw broederen: Ammi, en tot uw zusteren: Ruchama. [02:1] tegen ulieder moeder, twist, omdat zij vrouw niet is, en Ik haar niet ben; en laat ze haar hoererijen van haar aangezicht, en haar overspelerijen van tussen haar borsten wegdoen. [02:2] Ik ze niet naakt uitstrope, en zette ze als ten dage, toen zij geboren werd; ja, make ze als een woestijn, en zette ze als een dor land, en dode ze door dorst; [02:3] En harer kinderen niet ontferme, omdat zij kinderen der hoererijen zijn. [02:4] hunlieder moeder hoereert, die henlieden ontvangen heeft, handelt schandelijk; want zij zegt: Ik zal mijn boelen nagaan, die [mij] mijn brood en mijn water, mijn wol en mijn vlas, mijn olie en mijn drank geven. [02:5] , ziet, Ik zal uw weg met doornen betuinen, en Ik zal een heiningmuur maken, dat zij haar paden niet zal vinden. [02:6] En zij zal haar boelen nalopen, maar dezelve niet aantreffen; en zij zal hen zoeken, maar niet vinden; zal zij zeggen: Ik zal henengaan, en keren weder tot mijn vorigen , want toen was mij beter nu. [02:7] bekent toch niet, dat Ik haar het koren, en den most, en de olie gegeven heb, en haar het zilver en goud vermenigvuldigd heb, [dat] zij tot den gebruikt hebben. [02:8] zal Ik wederkomen, en koren wegnemen op zijn tijd, en most op zijn gezetten tijd; en Ik zal wegrukken wol en vlas, [dienende] om haar naaktheid te bedekken. [02:9] En nu zal Ik haar dwaasheid ontdekken voor de ogen harer boelen; en niemand zal haar uit hand verlossen. [02:10] En Ik zal doen ophouden al haar vrolijkheid, haar feesten, haar nieuwe maanden, en haar sabbatten, ja, al haar gezette hoogtijden. [02:11] En Ik zal verwoesten haar wijnstok en haar vijgeboom, waarvan zij zegt: Deze zijn mij een hoerenloon, dat mij mijn boelen gegeven hebben; maar Ik zal ze stellen tot een woud, en het wild gedierte des velds zal ze vreten. [02:12] En Ik zal over haar bezoeken de dagen des , waarin zij dien gerookt heeft, en zich versierd met haar voorhoofdsiersel, en haar halssieraad, en is haar boelen nagegaan, maar heeft vergeten, spreekt de HEERE. [02:13] , ziet, Ik zal haar lokken, en zal haar voeren in de woestijn; en Ik zal naar haar hart spreken. [02:14] En Ik zal haar geven haar wijngaarden van daar af, en het dal , tot een deur der hoop; en aldaar zal zij zingen, als in de dagen harer jeugd, en als ten dage, toen zij optoog uit . [02:15] En het zal te dien dage geschieden, spreekt de HEERE, dat gij [] noemen zult: Mijn ; en niet meer noemen zult: Mijn ! [02:16] En Ik zal de namen der van haar mond wegdoen; zij zullen niet meer bij hun namen gedacht worden. [02:17] En Ik zal te dien dage een verbond voor hen maken met het wild gedierte des velds, en met het gevogelte des hemels, en het kruipend gedierte des aardbodems; en Ik zal den boog, en het zwaard, en den krijg van de aarde verbreken, en zal hen in zekerheid doen nederliggen. [02:18] En Ik zal u ondertrouwen in eeuwigheid; ja, Ik zal u ondertrouwen in gerechtigheid en in gericht, en in goedertierenheid en in barmhartigheden. [02:19] En Ik zal u ondertrouwen in geloof; en gij zult den HEERE kennen. [02:20] En het zal te dien dage geschieden, dat Ik verhoren zal, spreekt de HEERE; Ik zal den hemel verhoren, en die zal de aarde verhoren. [02:21] En de aarde zal het koren verhoren, mitsgaders den most en de olie; en die zullen verhoren. [02:22] En Ik zal ze op de aarde zaaien, en zal ontfermen over Lo-ruchama; en Ik zal zeggen tot Lo-ammi: Gij zijt volk; en dat zal zeggen: O, mijn God!