Psalms 105:10
“Welken Hij ook gesteld heeft5975 8686 aan Jakob3290 tot een inzetting,2706 aan Israel3478 [tot] een eeuwig5769 verbond,1285”
Psalms 105:10 — Statenvertaling (1637)
Verse 10 of 45 in Psalms chapter 105 — Statenvertaling (1637). Read it in context below, with maps, timelines and thematic connections beside the text.
Psalms 105 — full chapter (Statenvertaling (1637))
Looft3034 8685 den HEERE,3068 roept7121 Naam8034 aan,7121 8798 maakt3045 daden5949 bekend3045 8685 onder de volken.5971 Zingt7891 8798 , psalmzingt2167 8761 , spreekt aandachtelijk7878 8798 van al wonderen.6381 8737 Roemt1984 8690 u in den8034 heiligheid;6944 het hart3820 dergenen, die den HEERE3068 zoeken,1245 8764 verblijde zich.8055 8799 Vraagt naar1875 8798 den HEERE3068 en sterkte;5797 zoekt1245 8761 aangezicht6440 geduriglijk.8548 Gedenkt2142 8798 wonderen,6381 8737 die gedaan heeft,6213 8804 wondertekenen,4159 en der oordelen4941 monds.6310 Gij zaad2233 van ,85 knecht,5650 gij kinderen1121 van ,3290 uitverkorene!972 Hij is de HEERE,3068 onze God;430 oordelen4941 zijn over de gehele aarde.776 Hij gedenkt2142 8804 verbonds1285 tot in der eeuwigheid,5769 des woords,1697 [dat] ingesteld heeft,6680 8765 tot in duizend505 geslachten;1755 [] [verbonds], dat met 85 heeft gemaakt,3772 8804 en eeds7621 aan ;3446 Welken ook gesteld heeft5975 8686 aan Jakob3290 tot een inzetting,2706 aan 3478 [tot] een eeuwig5769 verbond,1285 Zeggende:559 8800 Ik zal u geven5414 8799 het land776 ,3667 het snoer2256 van ulieder erfdeel.5159 Als zij weinig mensen4962 in getal4557 waren, ja, weinig4592 en vreemdelingen1481 8802 daarin; En wandelden1980 8691 van volk1471 tot volk,1471 van het ene koninkrijk4467 tot het andere312 volk;5971 Hij liet3240 geen mens120 toe3240 8689 hen te onderdrukken;6231 8800 ook bestrafte Hij3198 8686 koningen4428 om hunnentwil, [zeggende]: Tast5060 gezalfden4899 niet aan,5060 8799 en doet profeten5030 geen kwaad.7489 8686 Hij riep7121 8799 ook een honger7458 in het land;776 brak7665 8804 allen staf4294 des broods.3899 Hij zond7971 8804 een man376 voor hun aangezicht6440 henen; Jozef3130 werd verkocht4376 8738 tot een slaaf.5650 Men drukte6031 8765 zijn voeten7272 in den stok;3525 zijn persoon5315 kwam935 8804 [in] de ijzers.1270 Tot den tijd6256 toe, dat woord1697 kwam,935 8800 heeft hem de rede565 des HEEREN3068 doorlouterd.6884 8804 De koning4428 zond,7971 8804 en deed hem ontslaan;5425 8686 de heerser4910 8802 der volken5971 liet hem los.6605 8762 Hij zette7760 8804 hem tot een heer113 over zijn huis,1004 en tot een heerser4910 8802 over al zijn goed;7075 Om zijn vorsten8269 te binden631 8800 naar zijn lust,5315 en zijn oudsten2205 te onderwijzen.2449 8762 Daarna kwam935 8799 3478 in ,4714 en Jakob3290 verkeerde als vreemdeling1481 8804 in het land776 van .2526 En deed volk5971 zeer3966 wassen,6509 8686 en maakte het machtiger6105 8686 tegenpartijders.6862 Hij keerde2015 8804 hun hart3820 om, dat zij volk5971 haatten,8130 8800 dat zij met knechten5650 listiglijk handelden.5230 8692 Hij zond7971 8804 ,4872 knecht,5650 [en] ,175 dien verkoren had.977 8804 Zij deden7760 8804 onder hen de bevelen1697 tekenen,226 en de wonderwerken4159 in het land776 van .2526 Hij zond7971 8804 duisternis,2822 en maakte het duister;2821 8686 en zij waren woord1697 niet wederspannig.4784 8804 Hij keerde2015 8804 hun wateren4325 in bloed,1818 en doodde4191 8686 hun vissen.1710 Hun land776 bracht8317 vorsen6854 voort in overvloed,8317 8804 [tot] in de binnenste kameren2315 hunner koningen.4428 Hij sprak,559 8804 en er kwam935 8799 een vermenging van ongedierte,6157 luizen,3654 in hun ganse landpale.1366 Hij maakte5414 8804 hun regen1653 tot hagel,1259 vlammig3852 vuur784 in hun land.776 En sloeg5221 8686 hun wijnstok1612 en hun vijgeboom,8384 en brak7665 8762 het geboomte6086 hunner landpalen.1366 Hij sprak,559 8804 en er kwamen935 8799 sprinkhanen697 en kevers,3218 en dat zonder getal;4557 Die al het kruid6212 in hun land776 opaten,398 8799 ja, aten398 de vrucht6529 hunner landouwe127 op.398 8799 Hij versloeg5221 8686 ook alle eerstgeborenen1060 in hun land,776 de eerstelingen7225 al hunner krachten.202 En voerde hen uit3318 8686 met zilver3701 en goud;2091 en onder hun stammen7626 was niemand, die struikelde.3782 8802 Egypte4714 was blijde,8055 8804 als zij uittrokken,3318 8800 want hun verschrikking6343 was op hen gevallen.5307 8804 Hij breidde6566 een wolk6051 uit6566 8804 tot een deksel,4539 en vuur784 om den nacht3915 te verlichten.215 8687 Zij baden,7592 8804 en deed kwakkelen7958 komen,935 8686 en verzadigde7646 8686 hen met hemels8064 brood.3899 Hij opende6605 8804 een steenrots,6697 en er vloeiden2100 8799 wateren4325 uit, [die] gingen1980 8804 door de dorre plaatsen6723 [als] een rivier.5104 Want dacht aan2142 8804 heilig6944 woord,1697 aan ,85 knecht.5650 Alzo voerde Hij3318 volk5971 uit3318 8686 met vrolijkheid,8342 uitverkorenen972 met gejuich.7440 En gaf5414 8799 hun de landen776 der heidenen,1471 zodat zij in erfenis bezaten3423 8799 den arbeid5999 der volken;3816 Opdat zij inzettingen2706 onderhielden,8104 8799 en wetten8451 bewaarden.5341 8799 !1984 8761 3050